|
Inleiding
Toen ik begon met de inventarisatie van geëmigreerde familieleden
concentreerde ik me in eerste instantie op de traditionele
emigratielanden: de Verenigde Staten, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en
Zuid-Afrika. Maar toen ik me meer in de historie van de teuten verdiepte
en me realiseerde dat de teuten naar Holland, het Rijnland, de Elzas,
Noord-Duitsland en zelfs Denemarken trokken was mijn nieuwsgierigheid
gewekt. Misschien moest ik het wel dichter bij huis zoeken en is Henrieke
Buijvoets niet ons enige familielid in Duitsland.
De aanwezigheid van S.Beyvoets
in Schledehausen nabij Osnabrück in 1721 (Handel en Wandel van Teuten in
de Duitse Gewesten) bevestigde voor mij de zin van een onderzoekje naar
deze materie. Ik besloot om met behulp van het Internet op zoek te gaan
naar aanwijzingen voor een Duitse connectie.
Als onze voorouders zich in
Noord-Holland, Friesland en Twente vestigden, voorwaar drie of vier eeuwen
geleden vèr buitenland voor Kempense Limburgers, dan kan een vestiging in
wat tegenwoordig Duitsland heet niet uitgesloten worden. Zeker niet, omdat
het onderscheid tussen ‘de Nederlanden’ en ‘Duitsland’ vierhonderd jaar
geleden op staatkundig, taalkundig en cultureel gebied veel minder rigide
en vastomlijnd was dan nu.
Koperteut, afbeelding uit
een Deens tijdschrift
Beifuss, Beifuß, Beyfus ...
Achternamen in ons bekende vormen kwam ik, met uitzondering van enkele
ons bekende familieleden die om diverse redenen een tijdlang in Duitsland
verbleven, niet tegen. Maar dat is ook niet waarschijnlijk. Aannemelijker
is dat als op enig moment in een verder verleden een Bijvoet zich in
Duitsland heeft gevestigd, deze zijn naam heeft verduitst. En dan ligt
natuurlijk niets meer voor de hand dan de simpele vertaling van de naam
Bijvoet naar het fonologisch nauw verwante Beifuß, een in Duitsland, met
zijn veel dieper in de cultuur gewortelde voorkeur voor homeopathie en
natuurgeneeswijzen, bovendien veel populairder plantje dan in Nederland.
Ik begon dus op Internet te zoeken naar mensen met de naam Beifuß. Tot
mijn verbazing ontdekte ik dat dit zeker geen onbekende naam is in
Duitsland. In het telefoonboek vond ik er een stuk of driehonderd. Net als
bij ons waren er diverse spellingsvarianten.
En waar wij een discussie
voeren over ij versus y, kan die in Duitsland gaan over ss versus ß. De
Beifussen en Beifußen staan door elkaar in het telefoonboek.
Beifuss sehr
gűnstig
Mijn opsomming is vast niet volledig, maar ik ben in ieder geval in de
gecombineerde moderne en historische bronnen de volgende spellingen
tegengekomen:
Baifus, Bayfus, Beifuess, Beifus, Beifuss, Beifuß, Beifusz,
Bejfus, Bejfuss, Bejfuß, Beyfus, Beyfuss, Beyfuß en Biefuss.
Daarnaast
vond ik nog de volgende varianten waarbij ik niet met zekerheid durf te
zeggen, maar wel vermoed, dat dit verwante vormen zijn: Bafus, Beefus,
Befus en Bifus.
De mooiste vorm die ik
tegenkwam is ongetwijfeld Бейфус, maar ik loop op de zaken vooruit.
(Voor de overzichtelijkheid gebruik ik
in de rest van dit artikel de naam ‘Beifus’ als ik de familie in generieke
zin bedoel, voor specifieke met name genoemde individuen of familietakken
gebruik ik de exacte spelling zoals de bron die aangeeft.)
Ik constateerde in ieder geval dat ik me veel meer op de hals gehaald
had dan ik oorspronkelijk vermoedde en misschien ook wel hoopte. We hebben
nog jaren, zo niet decennia, voor de boeg met ons werk in Nederland en
België, zonder ons ook nog eens te moeten bekommeren over de
geschiedschrijving van een minstens even grote familie aan gene zijde van
de oostgrens. En ik kon toen nog niet bevroeden dat het nog veel erger zou
worden. Ik hoopte dus enerzijds dat enig familieverband onomstotelijk
afgewezen zou kunnen worden, anderzijds leek het me ook erg spannend om
het zonder twijfel interessante verhaal te horen van de vestiging van
Bijvoeten in Duitsland.
Ik ging dus door met mijn onderzoek en besloot eerst maar eens een
globale inventarisatie te maken van de huidige en historische aanwezigheid
van Beifusen in Duitsland. Voordat ik wat dieper op de resultaten daarvan
in ga zal ik eerst kort toelichten hoe ik de aannemelijkheid van een
familierelatie zou willen proberen vast te stellen.
Familie of niet?
Het mooiste zou natuurlijk zijn als we ergens in een bron, in
Duitsland, België of Nederland, een niet te weerleggen bewijs voor een
famileverband zouden vinden. Iets in de trant van:
Heinrich Wilhelm Maria
Beifuss, Geboren 14. 2. 1622, Neerpelt, Belgien, Gestorben 28. 11. 1694,
Koblenz, Rheinland.
Maar bij gebrek aan dergelijke harde bewijzen zou ik
op de uitkijk zijn voor een viertal factoren:
-
Vestigingsplaats:
ligt de woonplaats in een gebied waar de teuten
handel gevoerd hebben?
-
Religie:
is de Beifus in kwestie Rooms-Katholiek?
-
Voornamen:
komen veel gebruikte, eventueel
verduitste, voornamen ook in de ons bekende familietakken veel voor?
-
Beroepen:
voeren de Beifusen typische teutenberoepen?
Naarmate
meer van de bovenstaande vragen met ‘ja’ beantwoord kunnen worden, wordt
het bestaan van een familieband aannemelijker. Dat wil natuurlijk niet
zeggen dat het ontbreken van die factoren een bewijs zouden zijn voor het
ontbreken van een dergelijke band. Individuen in latere generaties zijn
doorverhuisd. Er hebben bekeringen tot andere geloofsovertuigingen
plaatsgevonden, namen veranderen in de loop der eeuwen en zo ook
familieberoepen. Op basis van bovenstaande zachte criteria zou ik immers
het gros van de huidige verenigingsleden moeten diskwalificeren.
Evenmin kan zonder verder
bewijs een score van 100% op bovenstaande vragen beschouwd worden als
afdoend bewijs voor een band. Niettemin biedt een dergelijke toets in
ieder geval een indicatie van de aannemelijkheid van een relatie en
derhalve de zin van verder onderzoek.
Koperslager, een typisch Teutenberoep
Als laatste zou het natuurlijk aardig zijn om bij een gebrek van
‘harde’ bewijzen voor een herkomst uit de Limburgse Kempen een ‘zachte’
aanwijzing, zoals een familielegende die vertelt van een voorvader die uit
de Niederlanden zou zijn gekomen, uitermate welkom zijn.
Waar de Beifusen wonen
Ik vond in de verschillende door mij geraadpleegde bronnen zoveel
Beifusen dat ik snel het spoor bijster was en behoefte had aan
structurering. Na wat experimenteren besloot ik dat met behulp van een
kaart van Duitsland aan te pakken. De kaart met de ingetekende resultaten
is hieronder weergegeven.
De kaart toont de gebieden waar anno 2004 veel Beifusen wonen en toont
tevens de plaatsen waar ik in de historische bestanden significante
vestigingen van Beifusen heb gevonden.
Let wel, deze kaart is een
simplificatie.
Ik heb slechts regio’s met meer dan tien
telefoonboekvermeldingen in één aaneengesloten gebied op de kaart
ingetekend. De Beifusen wonen verspreid over heel Duitsland. Van de 94
hoofdpostvoorsorteergebieden waarin Duitsland is ingedeeld zijn er slechts
34, dus ongeveer één derde, waar niet één Beifus woont.
(klik op de kaart voor een
vergroting)
De voornaamste concentraties zijn:
-
Beifusen in het Noordwesten van Nedersaksen, geconcentreerd rond de
plaatsen Aurich, Friesoythe en Lorup.
-
Beifussen in Noordrijn-Westfalen in de streek tussen Düsseldorf en
Keulen, geconcentreerd rond Remscheid en Keulen.
-
Beifußen in Hessen tussen Frankfurt en Mainz, geconcentreerd rond
Hünfelden.
-
Beifußen in het uiterste Noordwesten van Beieren, rond Schweinfurt,
maar zonder duidelijke concentraties. Dit is de grootste groep.
-
Beifußen iets naar het oosten ook in Noord-Beieren, met concentraties
rond Ebersdorf en Bad Staffelstein
-
Beifussen in historisch Duits gebied in Frankrijk, in Lotharingen in
het département Moselle, net over de grens bij Saarbrücken.
Van Wolga naar Weser
Bij mijn speurtocht in het telefoonboek viel vrijwel direct iets
bijzonders op. Onverwacht veel Beifusen hebben Russische namen. Alexander
en Viktor komen het meest voor, maar ook de volgende namen zijn opvallend
aanwezig in de lijst: Alexej, Anastasia, Anatoli, Andrej, Ivan, Juri,
Katarina, Olga, Sergej, Tatjana, Valdimir, Valerij, Viktor, Wladimir.
De
conclusie dringt zich op, dat we te maken hebben zogenaamde
‘spätaussiedler’ Etnische Duitsers (of ‘Volksduitsers’) uit het Oosten,
die na de val van de muur in grote aantallen uit de voormalige
Sovjetrepublieken westwaarts zijn getrokken. Deze Russische Beifusen (in
het Cyrillische schrift is Beifus dus Бейфус) zijn, om mij vooralsnog
onbekende redenen, voornamelijk neergestreken in het noordwesten van de
deelstaat Nedersaksen, ondermeer in Oost-Friesland, vlak over de Groningse
en Drentse grens met Duitsland.
Mijn eerste reactie op deze vondst was dat
ik deze groep verder buiten beschouwing kon laten. Rusland leek me veel te
ver voor een familieband, maar de geschiedenis van de Duitsers in Rusland
blijkt bij nadere beschouwing een band met Neerpelt niet op voorhand uit
te sluiten.

De eerste grootscheepse uittocht van Duitsers naar Rusland vond
namelijk pas plaats in 1763, toen Tsarina Catharina de Grote, van
oorsprong een Duitse prinses, buitenlanders opriep zich in Rusland te
vestigen om de agrarische sector te versterken in recent op de Turken en
Tataren veroverde gebieden. Grote groepen Duitsers, voornamelijk uit
Hessen, Noordrijn-Westfalen, Württemberg en West Pruisen, streken neer aan
de benedenloop van de Wolga.
Catharina de Grote
Er werd wettelijk vastgelegd dat de Duitse
nederzettingen zelfbestuur kregen, er was vrijheid van godsdienst, de
Duitse taal bleef behouden en diverse Russische heersers stimuleerden
gedurende de eerste helft van de negentiende eeuw de verdere immigratie
van Duitsers.
Behalve naar het Wolgabekken trokken de Duitse kolonisten
onder andere naar het Zwarte-Zee gebied en de Oekraïne. Het merendeel der
kolonisten was protestant, maar ongeveer vijfentwintig procent was
rooms-katholiek en er werden speciaal voor hen bisdommen in het leven
geroepen. Als eerste in 1773 het aarstbisdom Mogilev, voor alle
katholieken in Rusland en na het concordaat met de paus in 1847 het bisdom
Tiraspol met zijn zetel in Saratov. Onder die Duitse kolonisten bevonden
zich, zoveel is vrijwel zeker, één of meerdere Beifusen.

Ik heb niet vast
kunnen stellen waar deze Beifusen vandaan kwamen en wie het waren. Wat wel
zeker is, is dat een Johann Adam Beefuss, zoon van Johann Peter en Anna
Elisabeth Beefuss, geboren op 9 januari 1757 in Storndorf in Hessen de
stamvader is van een grote clan Befusen in Jagodnaja Poljana, vlak ten
noorden van Saratov.
Doopaantekening van Johann Adam Beefuss, 1757,
Storndorf
(klik op figuur voor vergroting).
De Duitse Koloniën ontwikkelden zich in voorspoed en welvaart en rond
1870 leefden er meer dan twee miljoen Duitsers in Rusland. In 1871 ging
het mis. Onder druk van de sociale onrust onder twintig miljoen onlangs
vrijgemaakte lijfeigenen en een groeiend Slavisch nationalisme bij de
middenklasse trok Tsaar Alexander II de privileges in. Een gedwongen
Russificering kwam op gang en grote groepen Russische Duitsers, waaronder
diverse Beifusen, emigreerden naar de Verenigde Staten, Canada en
Zuid-Amerika op zoek naar de burgerlijke vrijheden die wij dezer dagen als
volkomen normaal beschouwen, maar die toen schaars waren. Tussen 1892 en
1913 arriveerden tientallen Befusen uit Jagodnaja Poljana in
Noord-Amerika, allen afstammelingen van hierboven genoemde Johann Peter
Beefuss.

In 1914, aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog woonden er nog
ongeveer 1,7 miljoen Duitsers in Rusland. Ondanks het feit dat er ruim
300,000 Duitsers in het Russische leger vochten - tegen Duitsland - werd
de repressie van de ethnische Duitsers in Rusland opgevoerd. Grote groepen
werden verbannen, ondermeer naar Siberië en Kazakhstan.
Na de
Oktoberrevolutie van 1917 werd het er in eerste instantie niet beter op.
De hongersnood van 1920-21 sloeg onevenredig hard toe in de Duitse
kolonies aan de Wolga. Bijna 200,000 inwoners kwamen om het leven.
Berichten over het wel en voornamelijk wee van Beifusen in die tijd heb ik
niet.
De St. Clemenskathedraal in Saratov,
omstreeks 1900
| |
Duitse Nederzettingen aan de Wolga
(klik op de kaart voor een vergroting)
|

In 1924 vond er een opleving plaats. Lenin zelf authoriseerde vlak voor
zijn dood de oprichting van de Autonome Socialistische Sovjet Republiek
der Wolga Duitsers (ASSRWD), binnen de Russische Federatie. De republiek
had een oppervlakte van ongeveer 26.750 vierkante kilometer (dat is
ongeveer net zo groot als Nederland zonder Brabant en Limburg) en de
hoofdstad Engels (het voormalige Pokrowsk) lag op de Oostoever van de
rivier, recht tegenover Saratov.
De Duitsers buiten de ASSRWD, meer dan
een miljoen, werden vanaf 1930 (toen een tweede hongersnood met name
de Oekraïne teisterde) onder druk gezet om te Russificeren. Stalin’s
zuiveringen waren natuurlijk al in volle gang.
Eén van de slachtoffers was Yegor Yegorovitsj Beifus, geboren in 1911, die op 18 juli 1938 wegens
anti-Sowjet agitatie tot 10 jaar dwangarbeid veroordeeld werd. Wie de
Goelag Archipel van Solzjenitzin gelezen heeft kan zich een beeld vormen
van wat dat betekend heeft. David Filippovitsj Beifus overleefde de
verschrikkingen zoals zoveel miljoenen lotgenoten niet en overleed in 1938
op vijfendertigjarige leeftijd in een strafkamp.
Dekreet over de deportatie van de Wolgaduitsers,
1941

Toen Hitler in 1941 Rusland binnenviel werden de Wolga Duitsers,
evenals de Etnische Duitsers in de rest van de Sowjet-Unie onder
onbeschrijflijke omstandigheden op bevel van Stalin gedeporteerd naar
Siberië, Kazakhstan en Kirgizstan. Alle mannen tussen 16 en 60 jaar oud
werden naar werkkampen gestuurd. Onder hen bevond zich in ieder geval
David Ivanovitsj Beifus, geboren in 1908.
Na de oorlog werd de gedwongen verbanning opgeheven, maar slechts in
naam, de Duitsers kregen namelijk hun eigendommen niet terug en konden dus
niet terug naar de nederzettingen waar ze generaties lang hadden gewoond.
Nog veertig jaar lang leefden de etnische Duitsers in de Sowjet Unie als
tweederangsburgers. Vanaf 1987 werd emigratie gemakkelijker en kwam er een
stroom, inmiddels volkomen geassimileerde Russische Duitsers, richting
Bondsrepubliek op gang.
Deze ontwikkeling kwam na de val van de Berlijnse
Muur in 1991 in een stroomversnelling en met enkele honderdduizenden
anderen arriveerde in 1999 de dan vierenveertig jaar oude Viktor Beifus,
een in Wolgograd opgeleide jurist en voormalig politierechercheur uit
Koejbishev, in Duitsland. Hij begon in Hagen, vlakbij Dortmund, een
reisbureau dat hij nog steeds runt.
Andrej Bejfus, oorspronkelijk uit
Chelmnitski in de Oekraïne kwam in december 2000, op zijn éénenveertigste
vanuit Nowosibirsk naar Gersheim in het Saarland. Hij is webdesigner. Maar
er zijn ook Beifusen in Rusland achtergebleven. In Tsjeljabinsk wonen nog
Ingenieur Vitaly Petrovitsj Beifus en Maksim Vitaljevitsj Beifus,
waarschijnlijk zijn zoon. De geneesheer-directeur van een ziekenhuis op
Sakhalin heet Alexander Beifus. Ik kan nog wel even doorgaan, maar besluit
met een eervolle vermelding voor Viktor Davidovitsj Beifus uit Umby die
onlangs in de Komsomolskaja Prawda (Editie Moermansk) een eervolle
vermelding kreeg, voor het door hem ingezonden komische bijschrift bij een
foto van een dame met kinderwagen.
De grote vraag blijft natuurlijk: stammen deze Russen af van een Peltse
teut? Op voorhand kan hier zonder verdere informatie niet ontkennend op
geantwoord worden. Eerst zullen we moeten weten wie de voorouders van deze
Russen zijn. De emigratie van Duitsers naar Rusland kwam pas in 1763 op
gang. Twee eeuwen eerder begon de vestiging van Kempense teuten in hun
afzetgebieden al, zoals blijkt uit de historie van de Noord-Hollandse
Bijvoeten. Het is dus zeker niet onmogelijk dat een in Duitsland
gevestigde en geïntegreerde teutenfamilie met de emigrantenstroom
doorverhuisd is naar Rusland.
Textielhandelaren in Frankfurt
Aan het begin van de 17e eeuw leefde er in Frankfurt am Main een
vooraanstaande familie Beyfus, handelaars in textiel. Voordat we juichend
concluderen dat we met de Noord-Hollandse familie vergelijkbare
taf(textiel)teuten gevonden hebben moet er een voorbehoud gemaakt worden.
De Frankfurtse Beyfusen waren Joods. Als we dan ook nog eens tot de
ontdekking komen dat de naam Beyfus pas rond 1630 door een familie Scheyer
is aangenomen, dan lijkt het dat we onze behandeling van de Joodse familie
Beyfus uit Frankfurt kunnen beëindigen. Toch komt de naam Beyfus, als
voornaam èn als achtenaam al eerder voor in, waarschijnlijk Sephardisch,
Joodse families. We behandelen dus toch nog even met zevenmijlslaarzen
deze Beyfusen.
De Synagoge in de Frankfurter Judengasse, ca.
1880
(klik op de figuur voor een
vergroting)
De welgestelde Joodse familie Beyfus behoorde in Frankfurt, Bonn, Worms
en Heidelberg tot de elite, een positie die zij door huwelijken met andere
aanzienlijk families, zoals bijvoorbeeld de Oppenheimers, handhaafde. Op 9
maart 1808 trouwde Seligman Löb (Siegmund Leopold) Beyfus met Babette
Rothschild. Zijn broer Mayer Levin Beyfus trouwde ruim drie jaar later, op
28 augustus 1811, met Julie Rothschild. De familie Beyfus bestendigde met
deze huwelijken een waardevolle relatie met de vermaarde Rothschild
dynastie. In de Rothschild archieven bevinden zich nog twee dozen met
correspondentie van deze twee Beyfusen.
 |
Gravin
Rose Hollender-Beyfus
Onder druk van
het toenemende anti-semitisme vertrokken steeds meer joodse Beyfusen uit
Duitsland. Aan het eind van de 19e eeuw leefden grote aantallen Beyfusen
in het Verenigd Koninkrijk, met name in Londen en in Glasgow. Ook hier
bewoog, in ieder geval een deel van de familie, zich in de hogere sociale
kringen. Ik noem twee voorbeelden, Rose Beyfus huwde Graaf Maximiliaan
Hollender en werd Gravin.
|
| |
|
 |
Gilbert Hugh Beyfus
bij zijn Bar Mitzvah in 1899
Gilbert Hugh
Beyfus ging naar Harrow en Oxford, was lid van het Lagerhuis en verdedigde
als advocaat de bekende pianist Liberace in een smaadzaak. Tegenwoordig is
de bekendste exponent van deze familie Drusilla Beyfus, hoofdredacteur van
het blad ‘Brides’ en de Amy Groskamp-ten Have van het hedendaagse
Engeland.
|
De emigratie naar Amerika
vanuit Duitsland ging gestaag door. Onder de vertrekkenden ondermeer de
dan zeventienjarige Isaac Beifus uit Laasphe in het Sauerland, die op 18
juni 1892 op Ellis Island aankwam. Hij was waarschijnlijk familie van de
meisjes Beifus, zusjes misschien, of mogelijk nichtjes, Irma (Laasphe,
1912) en Herta (Laasphe, 1920).
Irma en Herta zijn de enige
twee Beifusen met een Nederlandse connectie die ik ben tegengekomen op het
Internet. Zij behoorden vrijwel zeker tot de groep uit Duitsland naar
Nederland gevluchte Joden die uiteindelijk toch in de klauwen van de
Nazi’s terechtkwamen.
Herta kwam op 30 september 1942
in Auschwitz om. Irma werd op 27 april 1943 uit Westerbork op transport
gezet naar Sobibor en werd daar drie dagen later in de gaskamer vermoord.
De Holocaust sleurde ook andere
Beifusen in zijn gruwelen mee. We vinden Isack Josef Selig Beifus op de in
2001 door de Zwitserse Bankiers Associatie vrijgegeven lijst van door de
nazi-terreur omgekomen rekeninghouders. Horav Chaim Beifus overleefde de
verschrikkingen van Auschwitz. Hij is nu Rabbijn in Israel.
Van de Beifusen die we op het
Internet tegenkomen blijft dit de groep waarbij een familieverband met de
Neerpeltse teuten nog het minst waarschijnlijk is. Een bekering van een
Katholieke teut tot het jodendom in Duitsland in de zestiende of
zeventiende eeuw sluit ik bij voorbaat eigenlijk geheel uit. Als enige
mogelijke familieconnectie en ik begeef me hierbij, dat realiseer ik me
terdege, in de sferen van de pseudowetenschap zoals die sinds Immanuel
Velikovsky en Erich von Däniken niet meer bedreven is.
Maar zou het mogelijk zijn dat
we het causale verband om moeten draaien en dat de Neerpeltse Bijvoeten
afstammen van bekeerde Sephardische Joden, die de naam meebrachten van hun
eerdere verblijfplaatsen? Goed, tientallen argumenten pleiten hiertegen en
slechts een handjevol ervoor, dus daar laten we het even bij. Maar het zou
de familiegeschiedenis nog wel een extra vleugje curiositeit geven. En
laten we eerlijk zijn, die Frankfurtse Joden die in 1630 de naam Beyfus
kozen waren wel linnenkooplieden. Maar misschien heeft een handelsrelatie
met Peltse Bijvoeten de inspiratie voor de nieuw gekozen achternaam wel
gevoed. En dat zou toch ook een prachtig verhaal zijn...
Andere Beifusen uit de
historische bestanden
In de historische bestanden,
met name de bestanden van de Mormonen en Ellis Island komen we grote
aantallen Beifusen tegen. Maar helaas vinden we nergens een fatsoenlijke
stamboom die meer dan een paar individuen en een generatie of twee, drie
omvat. We komen enkelingen of heel kleine groepjes tegen van Wenen tot
Kopenhagen en van de Elzas tot ver in het huidige Polen. Slechts enkele
plaatsen dringen zich op die, òf door het grote aantal beschikbare
gegevens, òf door andere voor ons interessante informatie, enige extra
aandacht behoeven.
Dat er niet meer informatie
over de andere plaatsen beschikbaar is wil niet zeggen dat ze onbelangrijk
zijn. Het betekent dat er geen informatie over te vinden is op het
Internet en misschien ook wel niet in de archieven. Er zijn in Duitsland
en de vroegere Duitse gebieden die nu aan Rusland, Polen en Frankrijk
toebehoren gigantische aantallen gegevens verloren gegaan, met name door
de gevolgen van het oorlogsgeweld.
De
oudste Beifusen vond ik in Oppenheim, vlak bij het gebied rond Hünfelden,
net ten zuiden van Frankfurt am Main, waar nu nog veel Beifußen wonen.
Velten (of Valentin) Beyfus kreeg daar in de Periode tussen 1592 en 1611
zes dochters:
Catharina (1592) en Anna Maria
(1601) bij Anna N.N. en Maria (1603), Apolonia (1607), Susanna (1609) en
Margretha (1611) bij Catharina N.N.
Alle dochters werden
“Evangelisch Reformiert” gedoopt.
Valentijn is in onze bestanden
een zeldzame naam.
note van de redactie:
Deze naam komt uitsluitend
voor in de stamboom van Ariaantje Bijvoet.
Oppenheim
De namen Apolonia en Susanna
zijn ook redelijk zeldzaam onder de Bijvoeten. De namen Catharina,
Margretha, Anna en Maria komen natuurlijk wel veel voor in onze
namenlijst, maar dat zijn zulke wijd verbreide namen, zeker in de periode
onder beschouwing, dat daar geen conclusies aan verbonden kunnen worden.
We springen honderzeventig jaar
verder in de tijd en reizen ruim driehonderd kilometer naar het noorden,
naar het plaatsje Albersloh, vlakbij Münster. Tussen 1777 en 1789 krijgen
Georgius (Jurgen) Beifuss en zijn echtgenote Maria Agnes Hummels zes
kinderen:
In 1789 huwde een Anna Maria
Beyfuss in Albersloh Joan Bernd Friedag. Deze Beifusen waren
Rooms-Katholiek.
De namen ‘Anna Elisabeth’,
‘Maria Catharina’ en ‘Anna Maria’ lijken zo uit één van onze stambomen
geplukt. Maar dezelfde opmerking die ik bij de Oppenheimers maakte lijkt
hier op zijn plaats. De namen ‘Anton’, ‘Arnold’, ‘Hinrich’ en ‘Dirck’
spreken mij heel erg aan als er een verband met onze Nederlands-Belgische
familie gelegd moet worden. En in die context winnen Catharina en
Elisabeth natuurlijk aan gewicht. Al moet ook hier opgemerkt worden dat
ook deze mannennamen bepaald niet uniek zijn.
Zonder enige twijfel de
grootste groep vormen de Beifusen uit de omgeving van Graudenz (nu Grudziądz)
en Strasburg (Brodnica) in Pommeren, in de 19e eeuw. Deze Beifusen zijn
protestant en dragen namen als August, Hermann, Ernst, Rudolph, Adolf,
Emilie, Martha, Euphrosyne, Eva, Friedrich, Gottlieba en zo kan ik nog wel
even doorgaan. Goede Duitse namen, maar namen die niet bekend voorkomen
uit de Bijvoetstambomen.
Graudenz

Het laatste groepje dat ik wil
belichten zijn Rooms-Katholieke Beifusen uit Mainz in Rheinhessen.
Michaelis Beifuss en Elisabetha Oho krijgen in 1866 een dochter,
Margaretha. In 1873 en 1875 krijgen ze achtereenvolgens nog twee dochters,
Catharina Margaretha en Elisabetha Margaretha. Ik neem aan, maar heb
daarvoor geen bewijs, dat de eerste dochter overleden is en dat de andere
twee naar haar vernoemd zijn.
Op 30 mei 1868 –en ik heb geen
idee wat zijn relatie is tot de hierboven genoemde familie- trouwt in de
domkerk van Mainz een Henricus Beifuss met Barbara Adelheidis Steinhaueser.
Iedere rechtgeaarde Bijvoet zit nu natuurlijk rechtop. De naam Henricus
komt minstens 47 keer voor in onze namenlijst. En dan tel ik andere
spellingsvarianten niet eens mee. Met weer die Margaretha en Catharina
erbij, het Rooms-Katholicisme en de lokatie in het Rijnland lijkt de
aannemelijkheid voor een familierelatie overweldigend. Of niet? Henricus
lijkt een voor onze familie tamelijk typerende naam. Maar een korte
speurtocht in de bestanden van de Heiligen der Laatste Dagen wijst uit dat
Henricus in de 19e eeuw een zeer veelvoorkomende naam was. In Nederland,
maar ook in Duitsland en ook bijvoorbeeld in Engeland. De latinisering van
eigennamen heeft in Nederland langer stand gehouden dan elders, maar was
vroeger ook in het nabije buitenland gebruikelijk.
De Mainzer Dom waar
Henricus Beifuss in 1868 trouwde

De Diaspora
Waar de Bijvoeten in het
buitenland, de grote migratiegolven van de afgelopen eeuwen in acht
genomen, eigenlijk vrij zeldzaam zijn, is dat met de Beifusen bepaald niet
het geval.
We komen grote aantallen
Beifusen tegen in de Verenigde Staten, Canada en Australië. Tevens treffen
we Beifusen aan in Zuid-Afrika, Nieuw Zeeland, Argentinië, Brazilië en
Israel. Onder die buitenlandse Beifusen bevinden zich Katholieken,
Protestanten en Joden. Zoveel is zeker. Drie willekeurige voorbeelden, van
het net geplukt:
Andrew
Beifus is de eigenaar van Beifus Motors, een Mercedes dealer in South
Orange, New Jersey.
Tevens is hij lid van het bestuur van Seton Hall. De oudste katholieke
privéschool voor jongens in New Jersey.
Andrew Beifus deelt zijn plaats in het bestuur ondermeer met de
Aartsbisschop van Newark.
Seton Hall
Op de Lutherse begraafplaats
van Cayahoga County in de staat Ohio ligt een aantal Beifusen. En bij het
doornemen van de gegevens in de bestanden valt er plotseling iets op. Met
toenemende verbijstering lezen we:
-
Baby Girl Beifus, born
16-1-1958, died 16-1-1958.
-
Baby Girl Beifus, born
11-11-1958, died 11-11-1958.
-
Mark Beifus, born 18-3-1960,
died 20-3-1960.
-
Baby Girl Beifus, born
14-6-1964, died 14-6-1964.
De droge cijfers maken plaats
voor de verwondering over het intense verdriet dat een ons volkomen
onbekend ouderpaar heeft doorstaan. Wat heeft de moeder gedacht, gevoeld,
doorgemaakt toen ze voor de derde, vierde keer zwanger werd? Van blijde
verwachting kan nauwelijks sprake geweest zijn. De vragen, die nauwelijks
van belang zijn in het kader van deze website en dit artikel dringen zich
toch op: zijn er kinderen in leven gebleven? Zou nu, ruim veertig jaar
later, de genetische afwijking die mogelijk ten grondslag heeft gelegen
aan dit leed tijdens prenatale screening geconstateerd kunnen zijn? Hoe
zijn de ouders na deze vreselijke ervaringen doorgegaan? We weten het
niet, we kunnen er slechts naar gissen.
Simone Beyfus is bestuurslid
van de Australian Jewish Genealogical Society (Victoria), die in 1995 werd
opgericht. Misschien weet zij wel meer over de vroegste historie van de
Joodse Beifusen. Misschien ook wel niet.

Logo van
de Australian Jewish genealogical Society
We kunnen nog vele megabytes
wijden aan de in diverse buitenlanden woonachtige Beifusen, maar het
blijft onduidelijk of hier afstammelingen van aan ons verwante Bijvoeten
tussen zitten. Dus ik besluit maar met het noemen van twee Beifusen
waarvan het absoluut zeker is dat ze niet aan ons verwant zijn.

De eerste is de centurion van
Babaorum,
bekend uit het Asterixboek
Obelix GMBH & Co. (Obelix & Co.),
die uitsluitend de aflossing
afwacht.
In de originele Franse uitgave
heet hij Biscornus en in de Nederlandse vertaling Zoïssetus.
Of de Duitse vertalers nog meer
redenen hadden deze naam te kiezen dan uitsluitend de uitgang ‘-us’, die
alle Romeinen bij Asterix hebben, weet ik niet. Voorlopig is deze Romeinse
officier de vroegste Beifus die ik op het Internet ben tegengekomen.
Centurion Beifus
Professor Siegfried Beifuß is
de direkteur van het Instituut voor Wetenschappelijk Atheïsme uit de roman
Ahasver van Stefan Heym, die in de verkruimelende DDR speelt. De naam van
deze figuur is door Romancier Heym wel degelijk bewust gekozen, daar
speelt een stukje literaire symboliek in mee, de verdere duiding waarvan
ik aan de geïnteresseerde lezer overlaat.
Conclusies
Ik heb de (ver) hierboven
geformuleerde vragen voor de diverse Beifusfamilies slechts zeer beperkt
kunnen beantwoorden.
Voorlopig kan ik dus niet meer
concluderen dan dat ik niets conclusiefs heb ontdekt.
Ik ga er zonder enige verdere
harde bewijzen van uit dat de naam Beifus in Duitsland op verschillende
plekken, op verschillende momenten, door verschillende niet aan elkaar
verwante families aangenomen is –maar dat dachten we van de Nederlandse
Bijvoeten slechts enkele jaren geleden ook nog.
Ik sluit zeker niet uit, vind
het zelfs aannemelijk, dat één of enkele van deze families verwant zijn
aan de Peltse Bijvoeten, maar vind daarvoor momenteel ook geen
doorslaggevende bewijzen.
Voorlopig laat ik het hierbij,
mogelijk dat ik over enige tijd deze materie weer oppak, maar nu heb ik
andere prioriteiten. Als een familielid zin heeft om dieper te gaan
spitten in deze materie, dan biedt dit artikel hopelijk voldoende
aanknopingspunten voor een voorspoedige start. En mocht iemand deze
kwestie op willen pakken, neem dan even contact met me op!
Tom Bijvoet
November 2004
|