Vereniging van de familie Buijyvoets (of gelijkluidend) die als doel heeft onderzoek te doen naar
de stamboom en de geschiedenis van de familie en de resultaten ervan te publiceren op deze website.

Bijvoet & Byvoet Familie vzw

(B&BF)


Om een artikel te vinden vul dan hier een trefwoord in:

×

Fout

AutoTweet NG Component is not installed or not enabled. - /hermes/bosnaweb07a/b645/apo.fbyvoe34/bijvoet.org/content/plugins/system/autotweetcontent/autotweetcontent.php

De laatste koperslager

Johannes Bijvoets (1869-1945) is de laatste koperslager van Friesland. Veel familieleden die als teut vanuit Neerpelt naar Friesland emigreerden beoefenden het koperslagersvak.

Nogal wat B(u)ij(y)voets -en treffen in hun stamboom voorvaderen aan die het ambacht van Koperslager beoefenden. Uit de verzameling van G.J. Buijvoets (oud Burgermeester Ambt-Delden) willen we u het volgende krantenknipsel over koperslager Johannes Bijvoets uit Workum niet onthouden (met dank aan Jan Buijvoets uit Oeken). Van de Oudheidkundige Vereniging Warkums Erfskip kregen we een mooie aanvulling en zowaar een scan uit een onbekende krant van 1938 (met dank aan dhr. Gerrit Twijnstra, Oudheidkundige Vereniging Warkums Erfskip).

Michel Buijvoets, Doetinchem, februari 2004.


Johannes Pieters Bijvoets (1869-1945) is geboren in de buurt van Sneek (Friesland). De schrijfwijze Bijvoets komt bijna uitsluitend voor in de Friese tak van de familie die rond 1800 verhuisd zijn van Neerpelt naar Friesland. Johannes en zijn vader Piet Bijvoets woonden en werkten op het Noard 89 in Workum. Helaas is de oude winkel in de jaren '50 vervangen door een moderner pand. Het bedrijf stond schuin tegenover de doopsgezinde kerk. Onderstaande ansichtkaart is in het bezit van de Oudheidkundige Verenigingg Warkums Erfskip.

 
  Deze ansichtkaart dateert uit 1909. Het kleine jongetje is Jacob Jansen (*1900). Zijn ouders Jacob Jansen en Dieuwke Nauta kochten een deel van hun uitzet bij Piet Bijvoets. Tussen de klokgevel en de trapgevel staat het pand van de kopersmid Johannes Bijvoets.

Jacob Jansen is later professor in Utrecht geworden en heeft 'n schitterend onderzoek gedaan naar de beroemde gildebaren in de Grote of St.Gertrudiskerk van Workum. Genoemde Pieter Bijvoets was gehuwd met Anke Oosterbaan uit Bolsward.

De Friese familietak van Bijvoets-en (tot en met Neerpelt een aparte familietak) woonde voornamelijk rond Wymbritseradeel.

Een citaat uit de Workumer krant Friso van 10 september 1970 gaat over de "Aanlegkosten onzer huishouding Juli 1891" van het jonge echtpaar Jacob Jansen en Dieuwke Nauta. Het geeft een aardige indruk van de verscheidenheid aan producten die de kopersmid vervaardigde en de waarde ervan in die tijd.
Bij Piet Bijvoets kochten ze:
"2 emmers f 1,30; 3 tobben f 2.65; 1 waschbakje f 0,75; 1 koperen ketel f 2,50; 1 koekepan f 0,80; 1 koekemes f 0,40; 2 raspen en een peperbus f 0,30; 1 stofblikje f 0,20" en dan nog veel meer, bijvoorbeeld: "1 petroleumkan (5 liter) f 0,65, 1 soeplepel f 0,40, 1 koffiemandje f 0,08."


Brief van Johannes over de genealogie van de familie

Bijgaande brief trof Michel Buyvoets aan in de grote genealogische verzamelmap van Jan Buijvoets uit Oeken. Hierin is een prachtige hoeveelheid materiaal opgenomen van alles wat Jan's vader in de loop der jaren heeft verzameld.

De brief is van Johannes aan Marinus Franciscus Buijvoets (1882-1968), afstammeling van Stamvader Buijvoets en grootvader van Jan Buijvoets uit Oeken. In deze stamboom is Marinus dus lid van de Twentse tak, hetgeen ook valt af te leiden uit de schrijfwijze "Buijvoets".
De twee genealogie-vorsers waren dus geenszins directe familie van elkaar.

Klik hier om de brief te lezen

Ik heb de brief zo goed mogelijk geprobeerd te ontcijferen en in Word gezet.

Workum Nov 1942

Geachte Heer!

In antwoord op Uw vereerend schrijven ..........(onleesbaar); Mijn Overgrootvader kwam van uit Brabant in 1795 in Friesland, uit welke plaats hij uit Brabant kwam weet ik niet. Zijn naam was Adriaan Jans, zijn Broeder Bonufascius(?) Jans; Mijn Grootvader z.n. was Jan Adriaan.

Mijn Grootvader heeft(?) eens naar Breda geweest om een erfenis te deelen van een oud Oom in welk jaar weet ik niet.

U familienaam is zuiver Brabants b.v. wij schrijven Bruins in Brabant Bruijns, de j heeft u ook in de familienaam.

Ik heb eens een oude Pater in Brabant gesproken die had van zijn Vader gehoord, de Buyvoets in Ootmarsum en de Bijvoets in Friesland van een en den zelfde stamvader waren en ook die hun familienaam Bijvoet schreven.

Ik heb eens ingekocht een schoenmakers schuifmaat van koper, in de eene zij was gegraveerd Hedrikes (?) Bernardis Voets 1728, dat was den maker, die ontleede zijn familie naam uit het maken van maten in voeten en van vaeten (?), andere zijde stonden een paar namen en geen familienaam met jaartal 1729. Zoo kan er een knecht bij Voets in dienst geweest zijn die was dan in dienst bij Voets enz

Ik heb in 't begin van den Oorlog ook een schrijven gehad in dezelfde strekking als van U van Uw familie uit Tubbergen. Tot nog toe heb ik hun niet geantwoord wil u bij gelegenheid uw familie in Tubbergen er mee in kennis stellen als dat ik hun verzoek hiermede ook beantwoord heb.

Wanneer vroeger iemand op het stadshuis ingeschreven werd, dan werd er niet zoo nauw op de spelling van de familienaam gelet. Zoo had iedere Prov. of gemeente zijn eigen uitspraak. Ik ben ook wel eens aangesproken als Bievouts, mijn voorouders schreven ook wel Beijvoets of Byvoets, Beijvoets was zuiver Brabants, dat komt het meeste bij Buyvoets. Wanneer bovengenoemde Pater gelijk heeft dan zijn onze familienamen verkeerd aangetekend.

In de buurt van Oss is er een Notaris Bijvoet, in Belgie wonen er ook die hem schrijven van Bijvoet. In geval U mocht slagen in Uw onderzoek houd ik mij beleefd aanbevolen mij de uitslag te melden. Hiermee heb ik alles gemeld wat ik van de familie weet, papieren dien aangaande heb ik niet, en hebben(?) zij er wel geweest dan zijn die bij een brand verwoest.

Inmiddels teken ik mij met de meesten Hoogachting Uw ...... (onleesbaar) J. Bijvoets

Byvoet kan ook ontleend zijn, mijn voorouders waren vlug en onvermoeid ter been en lange reizen ten voet van Brabant naar Frld en om gekeerd ging alles ter been, voordat mijn OverGrV. zich in Frl vestigde kwam hij voor heen elk jaar in Frl voor 1795 was het niet mogelijk als Katholiek in Frl te vestigen enz.

N.B.: Johannes Bijvoets heeft de brief aan de Brabander Marinus Buijvoets zo goed mogelijk in het Nederlands geschreven maar er zijn toch enige frisismes ingeslopen.


Gerard Yntema was zo vriendelijk ons in 2008 onderstaand krantenartikel te sturen.

Hij vond het krantenartikel gedateerd 12-2-1940 in het digitaal archief van de Leeuwarder Courant. Het artikel behandelt de techniek van de (niet) rokende kachel in vroeger jaren.

RookendeKachelBijvoets2

 Klik hier om verder te lezen


 

Waar het gildeteeken uithangt

Kopie krantenartikel uit "De Prins" van 26 september 1942, 42e jaargang, nr33 over de koperslager Johannes Bijvoets.

Het is niet nodig te proberen de tekst in de krant te lezen. Het is namelijk daarna in leesbare tekst omgezet.

 Bovenstaand krantenartikel is met een speciaal computerprogramma omgezet in een meer leesbare vorm.

Een bezoek aan den koperslager

Wie in normale tijden een wandeling door de eenige groote straat van Workum, waar eertijds het water stroomde, maakte, werd getroffen door het gezicht van een koperen ketel, welke tezamen met een blinkenden hoorn, ergens aan een van de oude geveltjes uithing. Tien tegen een, dat vroolijk gezang zijn aandacht bovendien ving.... en wanneer men binnenstapte, gedachtig aan het feit dat slechte menschen geen liederen zingen, zoals het oude spreekwoord zegt, zou daarbinnen Bijvoets aantreffen, den laatsten koperslager die Friesland telt en die zelfs in deze dagen van koperschaarschte nog niets van zijn goede humeur heeft verloren.
Bijvoets.... ziedaar een ambachtsman van den ouden stempel, de trotse drager van een traditie, die sinds eeuwen van vader op zoon overging en die sinds den Franschen tijd op deze plaats in Workum gevestigd was. Zooals Bijvoets' overgrootvader zich in die woelige dagen daar vestigde, zoo zetelt de oude Bijvoets, want hij is nu 73 jaar en werkt al meer dan zestig jaar in deze werkplaats, nog steeds in het oude Workum, een van diegenen voor wien de ouderdom nooit schijnt te komen.

Hoe kan het anders of de gedachten van den bezoeker bepalen zich bij binnenkomst direct op het verleden. Niet alleen omdat Bijvoets zulk een krasse oude baas is en omdat zijn bedrijf zoo oud is, maar ook omdat de koperslagerij typisch iets uit vroeger dagen is, ofschoon ook thans het oude vak nog veel van de levensvatbaarheid heeft behouden. Maar vroeger.... dat was de tijd van het koper. Vroeger toen de houten melkaden verdrongen werden door de koperen, die niet splijtten en barstten, toen iedere boer die zichzelf respecteerde, zeker duizend pond koper in zijn melkstallen had en een haardplaat die er zijn mocht. Kom daar nu maar eens om. Die dingen zijn verdwenen; de emaillepotten en pannen hebben de wereldmarkt veroverd. Vraag Bijvoets maar eens wel werk hij het meest verafschuwt, ge krijgt een uitval van hem te hooren tegen al dat geemailleerde spul, dat de huismoeders bij hem willen laten repareeren en dat hij niet kan repareeren, omdat een kopersmid nu eenmaal geen emailleman is.

Neen dat was een anderen tijd en daaraan herinnert nog veel van wat in Bijvoets werkplaats te vinden is. Daar zijn in de eerste plaats de oude vergeelde boekjes, handschriften - met de ganzenpen, - uit de dertiger jaren van de vorige eeuw, handschriften waarin allerlei gegevens bewaard zijn over werkstukken uit die dagen. Ketels, pannen, tabakspotten en melkemmers, die juist in dien tijd de houten emmers gingen verdringen, worden erin beschreven. Van al deze dingen worden eigenlijk de tabakspotten alleen nog maar gemaakt. Bijvoets heeft er al heel wat bestellingen van en het dient gezegd: het zijn mooie stukken werk, die hij aflevert. Men moet zien met hoeveel zorg hij zulk een voorwerp behandelt, met hoeveel plezier hij er de ronding inslaat, slag voor slag. Dat is werk, dat het persoonlijk kenmerk van den maker draagt. Natuurlijk zijn ze in hoofdtrekken aan elkaar gelijk, maar de Hagenaar die binnenkort zes van deze nuttige en fraaie gebruiksvoorwerpen thuis bezorgd krijgt, mag ze gerust op een rijtje zetten; niet een van de zes zal precies gelijk zijn aan het andere.
Het is een knap vak, die koperslagerij en het is een dankbaar vak. Zoo'n stuk koper uit te slaan tot de fraaie ronding erin zit en het daarna met rood te bewerken, tot het dien prachtigen glans heeft, dat is ambachtswerk van de eerste orde en men kan zich er slechts over verheugen, dat het nog in die mate door den ouden Bijvoets beoefend wordt. Alleen wordt die vreugde getemperd door het feit dat met hem de laatste koperslager van Friesland zal zijn uitgestorven. Komt de fraaie hoorn en het koperen keteltje dan op een ereplaatsje in een museum terecht? Het heeft het aan hem verdiend. En het verdient ook in ander opzicht deze waardering, want het is een van de werkstukken waarmee een van Bijvoets voorvaderen zich den weg tot het gildewezen gebaand heeft.

Bijvoets werkte, toen wij hem bezochten, aan een van de tabakspotten. Een goed stuk werk, en het brengt nu tenminste ook wat op, al is de vraag, of hij met de vier en een halve gulden uit den goeien ouwen tijd niet verder kwam dan de twintig gulden van thans. Maar ja, toen zat er ook voor twee gulden arbeidsloon in.... tegen vijf cent per uur.

Met dat al houdt Bijvoets, die een vrolijk en oprecht man is, er den goeden moed in. Hij zingt lustig zijn lied, hij hamert er op los, dat het een plezier is en wanneer men hem zoo bezig ziet, vermoedt men geen oogenblik, dat hij den leeftijd der zeer sterken reeds gepasseerd is. Hij werkt nog met genoegen aan zijn potten en zijn lampjes, aan de vele dingen die hij onderhanden heeft in de uren, die hem resten. Van de tallooze reparaties welke hij ook nu veel verricht....

Het is te hopen dat hij dezen goeden moed nog lang zal kunnen en mogen bewaren. Een typisch staaltje Friesland ligt er in dat oude werkplaatsje van hem bewaard!


Bijschriften bij bovenstaande foto's:

Twee oude boekjes
Twee oude, zeer vergeelde boekjes, die ergens in een hoekje van Bijvoets' werkplaats liggen en waar in, met de ganzenpen geschreven, tal van bijzonderheden van werkstukken uit vroeger tijden te vinden zijn. De boekjes stammen zeker uit den Napoleontischen tijd.

Het oude gildeteken
Zoo hing eertijds voor den gevel van Bijvoets' huis de koperen ketel met koperen hoorn, het oude gildeteken van grootvader, als bewijs dat hij den meesterstitel had behaald. Het verkondigde wijd en zijd dat daar Bijvoets de koperslager woonde. Een mooi stukje antiek koperwerk, dat zeker voor het nageslacht dient te worden bewaard.

Schaaltje met den uitgeschulpten rand
Midden. Een mooi stukje werk, dat schaaltje met den uitgeschulpten rand. De oude koperslager wordt enthousiast als hij er ten gerieve van den fotograaf even aan werkt.

Een van de tabakspotten
Een van de tabakspotten die door Bijvoets in den laatsten tijd gemaakt worden. Een kloek geheel, dat smaakvol geaccentueerd wordt door de breede banden die beneden en boven over de rand lopen. En geheel uit de hand gedreven!

Tenslotte hieronder: Bijvoets aan den arbeid temidden van zijn spulletjes.
Dit is een van de foto's die voor het krantenartikel zijn gebruikt en afkomstig is uit de collectie van Willem D. Hengst. Kopie van deze foto is ontvangen van de heer Twijnstra van de Oudheidkundige Vereniging Warkums Erfskip.
Bij deze foto bevond zich de aantekening dat Johannes een blinde dochter had, en dat zijn werkplaats niet al te schoon was.


Laatste kopersmid in Friesland

Van de Oudheidkundige Vereniging Warkums Erfskip kregen we een mooie aanvulling en zowaar een scan uit een onbekende krant van 1938 (met dank aan dhr. Gerrit Twijnstra, Oudheidkundige Vereniging Warkums Erfskip).

ook hier hoeft u geen moeite te doen om te proberen het artikel te lezen. We hebben het namelijk ook met een OCR programma omgezet in een meer leesbare vorm.

Waar bleven de anderhalf millioen melk-aden der boeren? - Opgekocht voor den oorlog.

Hier hangt de sfeer van oude vergeelde prenten. Door de groenbeslagen ruitjes welke de wereld buitensluiten, sluipt het licht naar binnen en vlijt zich om de glimmende stelen der vele hamers en waagt het zelfs hier en daar overmoedig te blinken op het gepolijste staal van een gladhamer. In deze vertrouwde sfeer zijn de gereedschappen geen doode dingen, maar intens levende deelgenooten in het zozeer geliefde ambacht van den reeds bejaarden kopersmid. Hijzelf is als het gereedschap van een voorbijen tijd. Hier is hij op z'n plaats en vormt een harmonisch geheel met den hobbeligen vloer en zwartberookte balken.

"Ik ben de laatste kopersmid van Friesland", zegt Bijvoets van Workum, een beetje trotsch omdat hij de traditie van een geslacht van kopersmeden tot nu toe heeft kunnen hooghouden en een beetje weemoedig, omdat met hem deze traditie zal eindigen.
Zijn vak was eens voor de Friese boeren van heel groote betekenis.
Als een boer een beetje bedrijf had, dan had hij zoo'n 1000 pond aan koper, zegt Bijvoets. Aden, kaasketels, melkemmers, earten amers, sa to sizzen en noem maar op. Voor 1835 was het koper niet zo algemeen, hoewel de Friesche kopersmeedkunst toch reeds van de eerste helft der achttiende eeuw dateert. Maar voor 1835 gebruikte vele boeren aden en melkemmers van hout; meest ieperen of beuken. Maar die houten aden scheurden voordurend en moesten dan gekramd worden en met stopverf dichtgemaakt, waardoor de melk dikwijls al bedorven was, voordat ze goed en wel in den kelder kwam. De koperen aden en emmers, welke na 1835 algemeen werden, waren dan ook een uitkomst.

De laatste der Friesche koperslagers grijpt een roodkoperen melkaad en laat het zien. "Zie je, dat was vakwerk". Moest uit een stuk worden getrokken. Dat was toch wel zulk nauwkeurig werk. Ze moesten telkens weer in 't vuur om af te gloeien en dan liefst een vuur van dertig turven, zoodat het zweet je in de klompen stond. En dan moet je niet vergeten dat de slagen op het koper 'doode slagen" waren. Een smid slaat het ijzer op een aambeeld waardoor de hamer terugkaatst, maar bij het intrekken van koper zakt de hamer weg, net als in lood.
"Maar," waag ik hem te onderbreken, want er schiet me plotseling wat te binnen, "u zei zooeven, dat er anderhalf millioen aden in Friesland waren en dat zal met de earten amers wel naar verhouding geweest zijn, en nu is het een heele toer om er nog een te vinden. Waar zijn die dan allemaal gebleven?"
"Waar die allemaal gebleven zijn, dat weet ik natuurlijk ook niet, maar wel, waar een heel groot gedeelte gebleven is."
Vol verwachting kijk ik hem aan, want ik ben werkelijk zeer benieuwd, waar dat ontzaglijk gewicht aan koper, want de aden wogen gemiddeld 10 pond, wel gebleven kan zijn.
"Omstreeks 1898 was er oorlog in de buurt van China, tusschen Rusland en Japan, meen ik. De kanonnenfabrieken kwamen handen tekort, maar ook koper. In Amerika werd toen een kopertrust opgericht, die alle koper van de kopermarkt opkocht, waardoor de prijs onmiddellijk geweldig de hoogte in ging. De Amerikanen hadden er geen erg in, dat er in Friesland een ware kopermijn was. Maar de kooplieden wisten dit wel en die reisden het Friese land af, met de zakken vol bankpapier. Ze sliepen dan 's nachts bij de boeren in het hooi en waren dan al weer voor dag en dauw op pad om meer koper op te koopen".

Bijvoets demonstreert het maken van een koperen melkemmer, een earten amer. Eerst laat hij zien hoe de klinksels, de nagels, worden vervaardigd uit een stukje koperplaat van een "fjouwerkante Fryske tomme". Dat maken van zoo'n nagel is nog niet eens zoo eenvoudig en dat is nog maar een heel klein onderdeeltje. Dan komt alweer een heel lastig karweitje en dat is het maken van den rand. Die moet viermaal worden omgesmeed om de noodige stevigheid te verkrijgen. Ook waren er wel kopersmeden, die een "draad" in den rand legden, d.w.z., dat ze een koperen draad namen en de rand daaromheen bogen, maar dat was niet zooals het hoorde. Want, doordat het zeel steeds weer op den rand viel, ging deze stuk.
Nu laat hij mij het "intrekken" van het koper zien. Nadat hij het koper goed terecht gezet heeft, waarbij hij zijn benen als leispanen gebruikt, neemt hij een houten hamer en gaat daarmede het koper bewerken. Met den hamer trekt hij door gedurig kloppen een cirkel om den bol, waardoor de bovenkant gaat uitzetten. Voor het goed intrekken moet het koper eerst tweemaal met een houten hamer worden bewerkt en dan nog eens met een ijzeren om de ontstane dikten weg te werken. Met deze hamers wordt alles in den gewenschten vorm gebracht, of dit nu een emmer, een ketel of een koffiekan is. Natuurlijk komt het vuur er ook aan te pas, maar dat is voor het uitgloeien. De vorm moet komen van de hamers.
Is de vorm goed gelukt, dan wordt het koper ingesmeerd met rood krijt en was en dan komt het werk van den gladhamer, die het koper dan z'n prachtige tint geeft. Op den gladhamer mag geen krasje voorkomen, want dat is onmiddellijk op het bewerkte koper te zien.
"Zie je wel," merkt Bijvoets op, "dat wij zoowel onze beide handen als onze beenen moeten gebruiken"

Er is een tijd geweest, zoo vertelt Bijvoets, dat gezellen uit Denemarken, Duitschland, ja zelfs uit Italie naar Workum kwamen om zich in het bedrijf van zijn geslacht in het ambacht te bekwamen. Dat was ten tijde van het gildewezen. Ook nu komen er nog wel vreemdelingen naar Workum en zelfs nog wel naar het bedrijf van Bijvoets, maar als hun oog valt op het prachtige koperen keteltje aan den gevel, hebben ze er niet het flauwste vermoeden van dat het dit stuk is, waarmede de grootvader van Bijvoets zijn titel van Meester Kopersmid verwierf.

Bijschrift bij de foto:
De laatste der Friesche kopersmeden bezig met het "intrekken" van een koperen voorwerp.



Oudheidkundige Vereniging Warkums Erfskip

Om kennis te maken met de Oudheidkundige Vereniging Warkums Erfskip: klik hier
of ga naar het adres: http://members.lycos.nl/muswarkumserfskip/index.htm

Onze leden uit het Oosten van het land hebben al diverse malen contact gehad met Warkums Erfskip.



Vier generaties Bijvoets als koperslager

In dit artikel is steeds sprake van de laatste koperslager in Friesland en dan werd steeds bedoeld Johannes Pieters Bijvoets (1869-1945). Johannes vermeldt in zijn brief van 1945:

In antwoord op Uw vereerend schrijven ..........(onleesbaar); Mijn Overgrootvader kwam van uit Brabant in 1795 in Friesland, uit welke plaats hij uit Brabant kwam weet ik niet. Zijn naam was Adriaan Jans, zijn Broeder Bonufascius(?) Jans; Mijn Grootvader z.n. was Jan Adriaan.

In de stamboom is momenteel door ons opgenomen:

 

De overgrootvader heette (volgens onze gegevens) Adrianus Pieters Buyvoets, geboren in 1765 in Neerpelt en overleden in 1839 in IJlst. Zijn beroep was.......koperslager. De overgrootvader is samen met zijn broer Bartholomeus Pieters Buyvoets in 1795 als emigrant verhuisd naar Friesland.

Zowel Johannes Pieters Bijvoets als zijn vader, grootvader en overgrootvader hebben als koperslager in Friesland gewerkt.



Koperen ketels

 

Van zijn grootvader Johannes Adriaans Bijvoets (1798-1870) staat in het museum van Warkums Erfskip een prachtige koperen ketel opgesteld. Het is een koperen ketel die Johannes in 1847 maakte voor zijn schoonzoon Homme Eelkes de Jong. Deze schoonzoon trouwde in 1846 met zijn oudste dochter Marijke.

De heer Gerrit Twijnstra was zo vriendelijk onderstaande prachtige foto's te maken om op onze website te plaatsen; waarvoor onze hartelijke dank.

 

Om de ketel en de inscripties in detail te bekijken dient u op de afbeelding te klikken.

 

Dsc00236 Dsc00283
Dsc00284

Dsc00285 

De inscriptie op bovenstaande foto H.E.D.J. zijn de
initialen van zijn schoonzoon: Hommes Eelkes de Jong.

 


 

Manuela van Schagen schreef ons maart 2009 het volgende:

 

Hallo familie bijvoet enz.

Onlangs ben ik in het bezit gekomen van een koperen waterketel. Via google kwam ik achter het verhaal van de koperen ketel uit 1847 in het museum van Warkums Erfskip.
In het handvat van mijn waterketel is ook het jaartal 1847 geslagen. Dit vond ik heel byzonder en ben gaan speuren op internet. Het is een zeer fraai exemplaar en hij is heel netjes afgewerkt.
Nu zou het natuurlijk kunnen dat deze waterketel ook gemaakt is ter ere van het huwelijk van zijn dochter,dat hij dit kado heeft gedaan aan zijn dochter en dat deze ketel toch ook behoort aan de familie.
Ik stuur wat foto's mee en ben benieuwd naar jullie reactie.

Manuela van Schagen

Waterketel1847 Bovenaanzicht Waterketel1847 Zijaanzicht Waterketel1847 Tuit

(Door op de afbeelding te klikken wordt deze vergroot weergegeven)

 



De Rooms-katholieke Sint-Martinustsjerke van Reahûs

In het Friesch Dagblad verscheen op woensdag, 14 juli 2004 een artikel:
Roomse pracht en praal van een pseudo-basiliek
Op internet te vinden op het adres: http://www.frieschdagblad.nl/artikel.asp?artID=19208 

Rond 1650, ongeveer zeventig jaar na de Reformatie, is er 'onder Oosterend' sprake van een min of meer gevestigde rooms-katholieke statie. Toen in 1708 de huur van Bonga-state aan de statie werd opgezegd, kocht men bij het buurtje Slyp, ten zuiden van de bestaande dorpsbebouwing, een 'opstal' waarbij ogenblikkelijk een (schuil)kerk werd gebouwd. Het rode pannendak van de pastorie werd de naamgever van het huidige dorp: Roodhuis.
Het koperen doopvont in de Jozefkapel is in 1841 gemaakt door de Workumse koperslager Jan Bijvoets en in 1909 gerenoveerd.

Mocht een lezer van dit artikel eens in de buurt zijn van Reahûs, wil dan zo vriendelijk zijn een foto van deze doopvont te maken en te sturen aan Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. .

Copyright © 2018 Bijvoet & Byvoet Familie vzw